Appellant, geboren in 1955, heeft in Nederland gewerkt en is in 1987 teruggekeerd naar Marokko. Hij ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering sinds 1989. In 2007 vroeg hij kinderbijslag aan, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat hij sinds 2000 niet meer verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
Na diverse besluiten en bezwaarprocedures handhaafde de Svb het standpunt dat appellant geen recht had op kinderbijslag tot het derde kwartaal van 2010. Voor het vierde kwartaal van 2010 werd kinderbijslag toegekend voor kind 1, maar geweigerd voor kind 2, omdat deze ouder dan 16 jaar was en niet voldeed aan de voorwaarden van schoolgang, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het eerdere besluit van 18 augustus 2010 rechtsgeldig was en dat appellant geen nieuwe feiten had aangevoerd om dit te wijzigen. Het beroep tegen het besluit van 10 december 2015 werd ongegrond verklaard, waarbij het recht op kinderbijslag voor kind 1 werd bevestigd en de weigering voor kind 2 terecht werd geacht.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam en bepaalde dat de Svb het betaalde griffierecht aan appellant moest vergoeden.