ECLI:NL:CRVB:2016:2176
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Appellante heeft op 2 mei 2013 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard wees de aanvraag af omdat appellante en A. een gezamenlijke huishouding voerden, gelet op het feit dat zij hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en als fiscaal partners stonden geregistreerd bij de Belastingdienst.
Appellante betwistte dit en overhandigde een gewijzigde belastingaangifte waarin A. niet langer als fiscaal partner werd opgevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep werd dit standpunt verworpen. De Raad concludeerde dat de registratie als fiscaal partners en het gezamenlijke hoofdverblijf voldoende bewijs vormen voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de WWB.
De Raad oordeelde dat de enkele wijziging van de belastingaangifte onvoldoende was om de gezamenlijke huishouding te ontkennen, zeker omdat A. studiekosten van appellante als aftrekpost opvoerde. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens het aannemen van een gezamenlijke huishouding op basis van fiscaal partnerschap en hoofdverblijf in dezelfde woning.