ECLI:NL:CRVB:2016:2138

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2016
Publicatiedatum
9 juni 2016
Zaaknummer
15/3960 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres

Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar studiefinanciering waarbij zij vanaf januari 2012 als thuiswonende studerende werd aangemerkt en het teveel betaalde bedrag werd teruggevorderd. De minister baseerde dit op een huisbezoek waaruit bleek dat appellante niet op het BRP-adres woonde.

Appellante voerde aan dat het huisbezoek onzorgvuldig was en dat zij niet gehoord was in bezwaar. Zij overhandigde getuigenverklaringen ter onderbouwing van haar woonplaats. De Raad oordeelde dat het onderzoek door de minister zorgvuldig was en dat het niet noodzakelijk is dat de studerende bij het huisbezoek aanwezig is. De verklaringen van de controleurs en een buurvrouw werden als betrouwbaar beoordeeld.

De getuigenverklaringen van appellante boden onvoldoende weerlegging van de bevindingen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de studiefinanciering en de terugvordering wegens niet-wonen op het BRP-adres.

Uitspraak

15/3960 WSF
Datum uitspraak: 9 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
21 april 2015, 14/4545 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. drs. D. Strörmann, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door Strörmann. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 6 juni 2014 (bestreden besluit) waarbij de minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 21 februari 2014 heeft gehandhaafd. Bij dat besluit heeft de minister de vanaf januari 2012 aan appellante toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellante vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellante over januari 2012 tot en met februari 2014 te veel betaalde bedrag van € 5.026,04 is daarbij van haar teruggevorderd. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellante niet woont op het adres [adres] te [woonplaats], waarop zij vanaf 21 maart 2007 in de basisregistratie personen (brp) staat ingeschreven.
2.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd op grond waarvan is besloten tot het huisbezoek.
2.2.
Het onderzoek door de minister is daarnaast onvoldoende zorgvuldig geweest. Er is maar zeer summier ingegaan op de feiten en verklaringen die appellante naar voren heeft gebracht. Appellante is in bezwaar niet gehoord. Juist daarom dient de minister een zorgvuldig en afgewogen besluit te nemen. Omdat appellante niet aanwezig was bij het huisbezoek, kan de minister niet zonder meer stellen dat appellante geen studiemateriaal en (verzorgings)spullen in de woning had. Er lag dameskleding en schoeisel in verschillende maten in de woning. De minister heeft zich er niet van vergewist van wie de kleding en schoenen waren en ging voorbij aan appellantes verklaring en de verklaring van de hoofdbewoonster (appellantes zus) hierover. De rechtbank is hieraan ten onrechte voorbij gegaan.
2.3.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij daadwerkelijk heeft gewoond op het
brp-adres heeft appellante verwezen naar door haar overgelegde getuigenverklaringen.
3. De Raad oordeelt als volgt.
3.1.
Uit de gronden van appellante volgt niet waarom de minister geen onderzoek naar de rechtmatigheid van de toegekende beurs zou mogen uitvoeren. De grond als verwoord onder 2.1 slaagt dus niet.
3.2.
Appellante wordt niet gevolgd in haar betoog dat er op neerkomt dat het onderzoek door de minister onzorgvuldig is geweest omdat zij niet bij het huisbezoek aanwezig was. Voorop staat dat het voor het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek in het algemeen niet noodzakelijk is dat de studerende bij het huisbezoek aanwezig is. In het onderhavige geval is dat niet anders. Als zou blijken dat tijdens het huisbezoek bepaalde zaken niet zijn opgemerkt of verkeerd zijn geïnterpreteerd, dan is er tijdens de bezwaarfase ruim gelegenheid daarvan melding te maken en desgewenst, indien mogelijk, bewijzen te leveren. Appellante heeft deze mogelijkheid ook benut. Zo heeft zij naar voren gebracht dat zij haar verzorgingsspullen en studiemateriaal bij zich heeft en haar kleding bij haar ouders of bij vriendinnen heeft liggen. De minister heeft daar echter terecht tegenover gesteld dat appellante geen verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van post en administratie en dat slechts een aantal kledingstukken en verzorgingsspullen (voor gezamenlijk gebruik) zijn aangetroffen, terwijl appellante stelt al sinds 2007 op het brp-adres te verblijven.
3.3.
Niet is gebleken dat de controleurs in hun rapport van 29 januari 2014 een onjuiste weergave van hun bevindingen van het huisbezoek hebben gegeven. Zij hebben al hetgeen zij van appellante hebben aangetroffen genoteerd. Dat het onderzoek gehaast plaatsvond, zoals appellante heeft gesteld, is evenmin gebleken. De hoofdbewoonster is volgens het rapport voldoende gelegenheid geboden om appellantes spullen te tonen en deze mogelijkheid heeft zij ook benut. Daarnaast is een verklaring van de hoofdbewoonster opgesteld die aan haar is voorgelezen en door haar is ondertekend.
3.4.
De bevindingen van de controleurs worden ondersteund door de verklaring van de buurvrouw, die concreet wist te benoemen wie er wel en niet op het brp-adres wonen en verklaarde dat er geen meisje van boven de 20 jaar (appellante was destijds 24 jaar) woonde. Dat de buurvrouw in een latere verklaring stelde destijds niet te weten dat het om het zusje (appellante) ging, doet hier niet aan af. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister meer waarde mocht hechten aan de eerste, ondertekende, verklaring van de buurvrouw (zie ook de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512).
3.5.
Uit de getuigenverklaringen blijkt een onvoldoende weerlegging van de bevindingen van de controleurs. Uit deze verklaringen kan niet verifieerbaar worden opgemaakt dat appellante op het brp-adres woonde en voorts zijn de verklaringen niet gebaseerd op eigen waarnemingen over de periode in geding.
3.6.
Wat is overwogen in 3.1 tot en met 3.5 betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige aanvulling van de gronden waarop deze rust.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2016.
(getekend) J. Brand
(getekend) J.W.L. van der Loo

MO