ECLI:NL:CRVB:2016:2102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- G. van Zeben-de Vries
- P. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering zonder maatmanwisseling ondanks onzorgvuldigheid UWV
Appellante, sinds 1997 gedeeltelijk arbeidsongeschikt, kreeg haar WAO-uitkering vastgesteld op 35-45%. Na een verzoek tot herkeuring in 2014 besloot het UWV de uitkering te verhogen naar 45-55%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat het UWV onzorgvuldig handelde door geen voorgenomen beslissing op bezwaar toe te zenden en dat een maatmanwisseling toegepast had moeten worden vanwege haar scholingsactiviteiten.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onzorgvuldig was, maar dat deze onzorgvuldigheid niet tot benadeling had geleid, mede op grond van artikel 6:22 Awb Pro. Ook vond de rechtbank dat het UWV terecht geen maatmanwisseling toepaste, omdat de gevolgde opleidingen onvoldoende voldeden aan het vereiste van nieuwe bekwaamheden door duidelijke scholing.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak. De Raad stelde dat het UWV niet verplicht was vooraf te informeren over de gedragslijn omtrent maatmanwisseling en dat de gevolgde cursussen van appellante onvoldoende waren om een maatmanwisseling te rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot herziening van de WAO-uitkering zonder maatmanwisseling en wijst het hoger beroep af.