ECLI:NL:CRVB:2016:2092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig magazijnmedewerker, meldde zich in 2011 ziek vanwege rugklachten. Het UWV stelde in 2013 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en kende een WW-uitkering toe. Na een nieuwe ziekmelding in 2014 vanwege toegenomen rug- en psychische klachten, werd een Ziektewetuitkering toegekend, maar later beëindigd omdat appellant geschikt werd geacht voor arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de psychische klachten onvoldoende waren om beperkingen aan te nemen. Appellant ging in hoger beroep en verwees naar medische brieven die zijn beperkingen zouden onderbouwen.
De Raad oordeelde dat de maatgevende arbeid de functies zijn die in 2013 bij de WIA-beoordeling waren geselecteerd. Uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de medische rapporten bleek dat appellant fysieke beperkingen had, maar deze belemmerden hem niet om de maatgevende arbeid te verrichten. Psychische klachten werden niet als belemmerend erkend. Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Vergoeding van wettelijke rente en proceskosten werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.