ECLI:NL:CRVB:2016:2063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over woonadres
Appellant ontving bijstand sinds september 2011 en stond ingeschreven op een uitkeringsadres waar hij een kamer huurde. De verhuurder verklaarde dat appellant al geruime tijd niet meer op dat adres verbleef en de huur per juni 2014 had opgezegd. Het college trok daarom de bijstand met ingang van juni 2014 in en vorderde de kosten terug.
Appellant voerde aan dat hij vanaf juni 2014 een kamer huurde bij een derde op een ander adres en overhandigde daarvoor een schriftelijke verklaring en een huurcontract met ingang van februari 2015. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij vanaf juni 2014 daadwerkelijk op dat adres woonde, omdat bewijs van huurbetalingen en andere objectieve gegevens ontbraken.
De Raad concludeerde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van zijn gewijzigde woonadres, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.