ECLI:NL:CRVB:2016:1965
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bezwaar tegen inhouding op AOW-pensioen wegens beslag
Appellant ontving een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Belastingdienst legde beslag op het pensioen wegens openstaande vorderingen en gaf aan dat de beslagvrije voet nihil was. De Sociale verzekeringsbank (Svb) hield daarom een bedrag in op het pensioen van appellant.
Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding en stelde dat de Svb de geldigheid van het beslag had moeten beoordelen en dat de beslagvrije voet hoger had moeten worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de Svb het beslag moest uitvoeren zoals opgelegd, zonder de geldigheid daarvan te toetsen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze lijn. De Raad benadrukte dat de beoordeling van de geldigheid van het beslag aan de civiele rechter is voorbehouden en dat de bestuursrechter zich beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan binnen het kader van het beslag is gebleven. Voor de hoogte van de beslagvrije voet dient appellant zich tot de Belastingdienst of civiele rechter te wenden. De Raad wees ook op de mogelijkheid voor niet-ingezetenen om via de kantonrechter een beslagvrije voet te laten vaststellen.
De Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de inhouding op het AOW-pensioen wegens beslag wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.