Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1964

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2016
Publicatiedatum
27 mei 2016
Zaaknummer
14/5462 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475e RvAlgemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid beslag op AOW-uitkering ondanks bezwaar appellant

Appellant, woonachtig in België, ontving een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op 22 mei 2013 werd door een gerechtsdeurwaarder een executoriaal beslag gelegd op zijn AOW-uitkering, met een beslagvrije voet van € 0,-. De Sociale verzekeringsbank (Svb) paste daarop het uit te betalen pensioen aan en betaalde vanaf mei 2014 een netto bedrag van € 23,76 uit.

Appellant maakte bezwaar tegen deze betalingsbeslissing en verzocht in hoger beroep om verlaging van het beslagbedrag, zodat hij in zijn levensonderhoud kon voorzien. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het niet aan de Svb is om de geldigheid van het beslag te toetsen; dat is een taak voor de civiele rechter.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de bestuursrechter zich bij de toetsing moet beperken tot de vraag of het bestuursorgaan binnen het kader van het beslag is gebleven. Tevens wees de Raad erop dat voor in het buitenland wonende personen in beginsel geen beslagvrije voet geldt, maar dat appellant via de kantonrechter een beslagvrije voet kan aanvragen indien hij kan aantonen onvoldoende middelen van bestaan te hebben. Appellant had een dergelijk verzoek nog niet ingediend. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de betalingsbeslissing van de Svb wordt bevestigd.

Uitspraak

14/5462 AOW
Datum uitspraak: 27 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
9 september 2014, 14/1991 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], België (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2016. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Loos.

OVERWEGINGEN

1.1.
De Svb heeft aan verzoeker een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Op 22 mei 2013 heeft [A]
incasso-gerechtsdeurwaarders aan de Svb een beslagexploit betekend waarin is aangegeven dat executoriaal beslag wordt gelegd uit kracht van een vonnis van de rechtbank Breda van
3 oktober 2012 ten laste van appellant. Daarbij is vermeld dat de beslagvrije voet € 0,- bedraagt.
1.2.
Bij besluit van 5 februari 2014 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat, gelet op het beslag door [A] incasso-gerechtsdeurwaarders, appellant vanaf mei 2014 een bedrag van € 23,76 netto aan ouderdomspensioen krijgt uitbetaald.
1.3.
Bij besluit van 19 maart 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het door appellant tegen het besluit van 5 februari 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de Svb een beslag op het ouderdomspensioen van appellant dient uit te voeren volgens de daarvoor geldende regels en dat het niet op de weg van de Svb ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Appellant is meegegeven dat met betrekking tot de hoogte van de beslagvrije voet contact dient te worden opgenomen met de deurwaarder of een procedure dient te worden opgestart bij de civiele rechter.
3. In hoger beroep heeft appellant verzocht om het bedrag waarvoor beslag is gelegd te verlagen, teneinde in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.
4.1.
De Raad oordeelt dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het niet op de weg van de Svb ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Dat oordeel is voorbehouden aan de burgerlijke rechter en de bestuursrechter komt hieraan niet toe. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet ingevolge vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3672, en 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1632) het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard en dient de bestuursrechter zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Dit is hier het geval. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat verzoeker met betrekking tot de hoogte van de beslagvrije voet zich met de deurwaarder zal kunnen verstaan of zich tot de civiele rechter kunnen wenden. In dit verband wordt opgemerkt dat voor personen die niet in Nederland wonen, zoals appellant, op grond van artikel 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in beginsel geen beslagvrije voet geldt. Wel verschaft voornoemd artikel de mogelijkheid op eigen verzoek een beslagvrije voet te laten vaststellen. Daartoe dient appellant zich te wenden tot de kantonrechter en aan te tonen dat hij over onvoldoende middelen van bestaan beschikt. Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven een dergelijk verzoek (nog) niet te hebben ingediend. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak dient bevestigd te worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2016.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) D. van Wijk

UM