ECLI:NL:CRVB:2016:1958
Centrale Raad van Beroep
- Tussenbeschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante liep in 2009 hersenletsel op en werd in 2010 ziek gemeld met diverse klachten waaronder concentratieproblemen. Het UWV weigerde haar in 2012 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Dit besluit werd in bezwaar en door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen onvoldoende waren erkend in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De Raad benoemde een onafhankelijke neuroloog die aanvullende onderzoeken verrichtte en concludeerde dat er wel degelijk cognitieve stoornissen waren die niet juist waren meegenomen.
De deskundige vond dat de beperkingen groter waren dan door het UWV vastgesteld, met name op het gebied van aandacht, concentratie, urenbeperking en omgaan met emotionele problemen. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat het UWV het besluit van 14 september 2012 moest herstellen en de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw moest vaststellen.
De zaak kon daarom nog niet definitief worden beslecht en het UWV kreeg zes weken de tijd om het besluit aan te passen. De uitspraak werd gedaan door rechter H.G. Rottier op 25 mei 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep slaagt en het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen en de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vast te stellen.