ECLI:NL:CRVB:2016:1946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.C.R. Schut
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onduidelijke woonsituatie
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande. Na een verblijf in een inrichting wegens verslavingsproblematiek en een onaangekondigd huisbezoek bleek dat appellant niet meer woonachtig was op het opgegeven adres. Het college schortte daarop de bijstand op en keerde een daklozenuitkering toe. Vervolgens werd de bijstand over een eerdere periode herzien en te veel ontvangen bijstand teruggevorderd, omdat appellant niet tijdig had gemeld waar hij verbleef.
De rechtbank had het beroep van appellant tegen deze terugvordering gegrond verklaard voor het verblijf in de inrichting, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten vanwege het niet melden van de woon- en verblijfplaats na ontslag. Appellant stelde in hoger beroep dat hij een zwervend bestaan leidde en dat de situatie voor en na 1 september 2013 gelijk was, en dat het college hem onterecht een daklozenuitkering had toegekend zonder nader onderzoek.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet tijdig melden van zijn woon- en verblijfplaats na ontslag uit de inrichting. Er waren geen objectieve gegevens over de woon- en verblijfplaats in de periode 13 juli tot 1 september 2013, waardoor het college het recht op bijstand niet kon vaststellen. De stelling van appellant dat de situatie gelijk was, was onvoldoende onderbouwd. Ook de kostenveroordeling en de eerdere boete-uitspraak brachten geen wijziging in het oordeel.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.