Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2006 bijstand op grond van de WWB. Na intrekking van de bijstand per 1 januari 2014 vroeg zij opnieuw bijstand aan, maar leverde niet tijdig de gevraagde bewijsstukken aan, waaronder pensioeninformatie en bankafschriften over januari tot maart 2014.
Het bestuur stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 Awb Pro wegens het niet verstrekken van noodzakelijke gegevens binnen de gestelde termijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
Appellante voerde aan dat de termijn te kort was vanwege haar persoonlijke omstandigheden en dat het bestuur haar had moeten doorverwijzen voor hulp, maar de Raad oordeelde dat zij met hulp van familie redelijkerwijs in staat moest zijn de stukken tijdig te overleggen. Ook werd geoordeeld dat de in bezwaar overgelegde stukken niet tot herziening van het besluit konden leiden.
De Raad concludeerde dat het bestuur terecht de aanvraag buiten behandeling stelde en dat appellante geen verlenging van de hersteltermijn had verzocht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de buiten behandelingstelling van de aanvraag bijstand wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens.