ECLI:NL:CRVB:2016:1900
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding zonder zelfstandig subject
Appellante diende op 29 november 2012 een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande ouder. Het college verstrekte een voorschot, maar na een onderzoek naar een anonieme melding dat zij samenwoonde met S, wees het college de aanvraag af en vorderde het voorschot terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante het bestaan van een gezamenlijke huishouding.
De Raad beoordeelde objectief of sprake was van gezamenlijke huishouding en concludeerde dat appellante en S hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres. Verklaringen van appellante en bevindingen bij huisbezoek toonden aan dat S regelmatig verbleef en er sprake was van wederzijdse zorg, ook al was de zorg niet evenredig. De motieven en aard van de relatie waren niet relevant.
Het beroep op dringende redenen werd afgewezen omdat artikel 16, lid 1 WWB niet van toepassing is op situaties waarin bijstand wordt geweigerd wegens gezamenlijke huishouding. Het hoger beroep slaagde niet, de terugvordering van het voorschot bleef gehandhaafd en het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding bevestigd.