ECLI:NL:CRVB:2016:1891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing ziekengeld en toekenning WIA-uitkering bij onveranderde psychische klachten
Appellante was werkzaam als receptioniste en meldde zich op 4 november 2013 ziek met psychische klachten. Na een onderzoek door een verzekeringsarts op 14 januari 2014 stelde het UWV vast dat zij geen recht meer had op ziekengeld per 15 januari 2014. Dit besluit werd door het UWV gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar medische situatie tussen 15 januari 2014 en de nieuwe ziekmelding op 10 maart 2014 ongewijzigd was gebleven. Het UWV accepteerde de nieuwe ziekmelding en kende een WIA-uitkering toe met ingang van 7 maart 2016. Uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek bleek hetzelfde klachtenpatroon aanwezig te zijn sinds de eerste ziekmelding in november 2013.
De Raad oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de klachten tussen 15 januari en 10 maart 2014 afwezig of minder ernstig waren. Ook werd vastgesteld dat appellante hulp zocht bij een GGZ-instelling en een diagnose kreeg van depressie, PTSS en paniekstoornis met agorafobie. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van het UWV wordt vernietigd en de WIA-uitkering wordt toegekend.