ECLI:NL:CRVB:2016:1839
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van Zeben-de Vries
- M.C. Bruning
- L. Koper
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ANW-uitkering ondanks medische beperkingen na zorgvuldig onderzoek
Appellante ontving een ANW-uitkering na het overlijden van haar partner. De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot de uitkering te beëindigen toen haar jongste kind 18 jaar werd. Appellante meldde arbeidsongeschiktheid, waarna het UWV een onderzoek instelde. Op basis van dit onderzoek besloot de Svb de uitkering te beëindigen per 1 juli 2013. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen werden onderschat, met name vanwege hevige gewrichtspijnen en energietekort door slecht slapen. De Raad oordeelde dat het medische oordeel gebaseerd was op een zorgvuldig onderzoek door verzekeringsartsen, die ook de door appellante overgelegde medische informatie meenamen. Hoewel de Functionele Mogelijkhedenlijst werd aangepast vanwege schouderklachten, was er geen aanleiding voor een urenbeperking.
De arbeidsdeskundige heroverwoog de functies en concludeerde dat ondanks beperkingen voldoende passende functies beschikbaar waren die appellante kon verrichten. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de ANW-uitkering en zag geen reden om proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ANW-uitkering omdat appellante ondanks beperkingen in staat wordt geacht passende werkzaamheden te verrichten.