Appellant ontvangt sinds 1 januari 2012 bijstand op grond van de WWB. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft bij verschillende gelegenheden appellant uitgenodigd om gevraagde gegevens te overleggen in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek. Appellant verscheen niet of leverde niet alle gevraagde stukken, waaronder een geldig legitimatiebewijs en een verklaring van inwoning.
Het college schortte het recht op bijstand op en heeft vervolgens bij besluit van 28 juli 2014 de bijstand ingetrokken met ingang van 16 juli 2014 en de kosten van bijstand over die periode teruggevorderd. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hem geen verwijt kan worden gemaakt en dat opzet of kwade trouw niet relevant zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college bevoegd was tot intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, WWB, omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de relevante gegevens heeft verstrekt. Opzet of benadeling zijn geen vereisten voor intrekking. Ook het alsnog overleggen van stukken in de bezwaarfase leidt niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.