ECLI:NL:CRVB:2016:1807
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
Appellant vroeg op 8 april 2014 bijstand aan op grond van de WWB en gaf op dat hij woonde bij zijn broer op een bepaald adres. De gemeente Rotterdam voerde een onderzoek uit, inclusief een huisbezoek op 3 juni 2014, waaruit bleek dat appellant niet feitelijk op dat adres woonde. Belangrijke aanwijzingen waren het ontbreken van een eigen slaapkamer, geen persoonlijke eigendommen en geen sleutel van de woning.
Op basis hiervan wees het college de aanvraag af bij besluit van 6 juni 2014, wat na bezwaar werd gehandhaafd. Appellant diende later een nieuwe aanvraag in die uiteindelijk wel werd toegekend na aanvullend onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant niet woonachtig was op het opgegeven adres.