ECLI:NL:CRVB:2016:1797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing dwangsom wegens niet-tijdige ingebrekestelling bij bijzondere bijstand aanvraag
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en diende op 12 november 2013 een aanvraag bijzondere bijstand in, die werd toegekend. Op 20 januari 2014 stelde appellant het college in gebreke vanwege een aanvraag van 27 november 2013 voor bijzondere bijstand die niet was behandeld. Het college weigerde een dwangsom te betalen omdat geen aanvraag bekend was van 27 november 2013. De rechtbank vernietigde dit besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep stelde appellant dat hij de aanvraag al op 25 november 2013 had ingediend, waardoor de ingebrekestelling tijdig was en recht op dwangsom bestond. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de aanvraag eerder dan 27 november 2013 was ontvangen. Het ontbreken van een ontvangstbewijs en het feit dat appellant het formulier inleverde op een gesloten kantoor zonder ontvangstbevestiging, woog mee.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag bijzondere bijstand eerder dan 27 november 2013 is ontvangen.