ECLI:NL:CRVB:2016:1780
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op ziekengeld na WIA-beoordeling ondanks complexe klachten
Appellante was tot februari 2011 werkzaam in de thuiszorg en meldde zich in mei 2011 ziek. Na afloop van de wachttijd stelde het UWV vast dat zij per 23 mei 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies. Hierdoor had zij geen recht op een WIA-uitkering en ontving zij opnieuw een WW-uitkering. In september 2013 meldde zij zich opnieuw ziek wegens een ooroperatie.
Een verzekeringsarts verklaarde haar in augustus 2014 geschikt voor de eerder geselecteerde functies. Het UWV besloot daarop dat zij vanaf die datum geen recht meer had op ziekengeld. Appellante maakte bezwaar, dat werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde vast dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij rekening was gehouden met haar complexe klachten en medische informatie.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld en dat zij recht had op ziekengeld. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat appellante geschikt is voor ten minste één van de functies die bij de WIA-beoordeling waren vastgesteld, waardoor geen recht op ziekengeld bestaat. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.