ECLI:NL:CRVB:2016:1779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies bevestigd
Appellante vroeg in 2009 een WIA-uitkering aan, die werd afgewezen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt was voor functies als samensteller metaalwaren, productiemedewerker industrie en inpakker industrie. Na haar bevalling in 2011 ontving zij een Ziektewetuitkering wegens aan zwangerschap gerelateerde klachten. Een heronderzoek in 2013 door een verzekeringsarts van het UWV concludeerde dat haar beperkingen niet waren toegenomen en dat zij per 14 januari 2013 weer geschikt was om arbeid te verrichten, waarop de ZW-uitkering werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en goed was gemotiveerd. In hoger beroep verwees appellante naar eerdere bezwaren en een brief van haar psychiater-psychotherapeut, maar de Raad vond dat deze informatie niet leidde tot een ander oordeel omdat de latente aandoening pas na de datum van beëindiging van de uitkering tot uiting kwam.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante per 14 januari 2013 geschikt was voor ten minste één van de WIA-functies. Daarom werd het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd per 14 januari 2013 wegens geschiktheid voor ten minste één WIA-functie.