ECLI:NL:CRVB:2016:177
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van normverlaging bij inwonend meerderjarig kind in bijstandsuitkering
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wijzigde haar gemeentelijke toeslag van 20% naar 10%, omdat haar meerderjarige zoon bij haar woonde en er geen bewijs was dat hij geen inkomen had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar zoon geen inkomsten had en studeerde, wat zij trachtte te bewijzen met bankafschriften en verklaringen. De Raad stelde vast dat de zoon sinds 1 januari 2014 studiefinanciering ontvangt en dat appellante geen bewijs van inschrijving kon overleggen voor de periode in geschil.
De Raad concludeerde dat de zoon geen ten laste komend kind was en dat appellante de noodzakelijke kosten met hem kon delen. Het ontbreken van inkomsten van de zoon en het feit dat appellante in zijn kosten voorzag, maakt niet dat de normverlaging onterecht was. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de normverlaging bevestigd.