ECLI:NL:CRVB:2016:177

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2016
Publicatiedatum
19 januari 2016
Zaaknummer
15/1152 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 WWBArt. 25 WWBArt. 3.18 Wet studiefinanciering 2000Art. 3 Verordening toeslagen en verlagingen WWB gemeente Den HaagArt. 4 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van normverlaging bij inwonend meerderjarig kind in bijstandsuitkering

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wijzigde haar gemeentelijke toeslag van 20% naar 10%, omdat haar meerderjarige zoon bij haar woonde en er geen bewijs was dat hij geen inkomen had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat haar zoon geen inkomsten had en studeerde, wat zij trachtte te bewijzen met bankafschriften en verklaringen. De Raad stelde vast dat de zoon sinds 1 januari 2014 studiefinanciering ontvangt en dat appellante geen bewijs van inschrijving kon overleggen voor de periode in geschil.

De Raad concludeerde dat de zoon geen ten laste komend kind was en dat appellante de noodzakelijke kosten met hem kon delen. Het ontbreken van inkomsten van de zoon en het feit dat appellante in zijn kosten voorzag, maakt niet dat de normverlaging onterecht was. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de normverlaging bevestigd.

Uitspraak

15/1152 WWB
Datum uitspraak: 19 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 november 2014, 14/4505 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Salhi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 8 december 2015. Partijen zijn, waarvan het college met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sedert 22 november 1989 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 28 november 2013 heeft het college de bijstand van appellante gewijzigd in die zin dat de aan appellante toegekende gemeentelijke toeslag met ingang van 1 november 2013 is gewijzigd van 20% naar 10%.
1.2.
Het college heeft het tegen dit besluit gerichte bezwaar bij besluit van 26 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante de woonkosten kon delen met haar meerderjarige inwonende zoon nu niet is gebleken dat de zoon van appellante niet redelijkerwijs kon beschikken over een inkomen uit arbeid dan wel over een bijstandsuitkering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bankafschriften van haar zoon blijkt dat hij geen inkomsten heeft gehad, dat over de stortingen op zijn rekening verklaringen zijn afgelegd en dat voldoende is aangetoond dat hij ook in september 2013 al een studie volgde.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 25 van Pro de WWB bepaalde in de te beoordelen periode dat het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdelen a en b, van de WWB met een toeslag verhoogt voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk worden gedeeld met thuis inwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.
4.2.
Op grond van artikel 3 van Pro de Verordening toeslagen en verlagingen WWB van de gemeente Den Haag (Verordening), zoals die bepaling luidde in de te beoordelen periode en voor zover hier van belang, wordt de norm verhoogd met een toeslag gelijk aan 20%, indien de alleenstaande of alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kind(eren) een woning bewoont waarin geen ander hoofdverblijf heeft, en met een toeslag gelijk aan 10%, indien de alleenstaande of alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kind(eren) een woning bewoont waarin tevens een of meer anderen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, hoofdverblijf hebben.
4.3.
Vaststaat dat de op 30 oktober 1995 geboren zoon van appellante in de hier in geding zijnde periode van 1 november 2013 tot en met 28 november 2013 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante en ouder was dan 18 jaar. Dit betekent dat de zoon geen ten laste komend kind was als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder e van de WWB. Hierin ligt besloten dat in de woning van appellante gedurende de periode in geding een ander zijn hoofdverblijf had als bedoeld in artikel 3 van Pro de Verordening. Appellante kon met de zoon de noodzakelijke kosten van het bestaan delen. Dat de zoon van appellante in de in geding zijnde periode als student stond ingeschreven en studiefinanciering ontving, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. De zoon ontvangt pas sinds 1 januari 2014 studiefinanciering en een bewijs van inschrijving van de door hem gevolgde opleiding heeft appellante niet overgelegd.
Ook de omstandigheid dat de zoon van appellante ten tijde hier van belang geen inkomsten had en dat appellante in zijn kosten van levensonderhoud heeft moeten voorzien, maakt niet dat ten aanzien van de zoon niet kan worden gesproken van het kunnen delen van kosten. Daartoe is van belang dat niet is gebleken dat de zoon niet redelijkerwijs kon beschikken over inkomen uit arbeid dan wel over een bijstandsuitkering.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2016.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) P.C. de Wit

HD