ECLI:NL:CRVB:2016:1743
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres
Appellant was vanaf 1 mei 2012 ingeschreven op een adres in de basisregistratie personen (BRP) en ontving studiefinanciering als uitwonende student. De minister voerde een onderzoek uit waarbij controleurs een huisbezoek brachten aan het BRP-adres. Uit het rapport bleek dat appellant nauwelijks persoonlijke bezittingen op het adres had, zoals beperkte kleding en geen beddengoed op het bed. De hoofdbewoonster verklaarde dat appellant zijn persoonlijke spullen elders had.
Op basis hiervan herzag de minister de studiefinanciering en kwalificeerde appellant als thuiswonend, met terugvordering van €3.882,78. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd dat hij op het BRP-adres woonde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het rapport onvolledig was en dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf op het adres had. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten had aangevoerd en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat de controleurs voldoende onderzoek hadden gedaan en dat de hoofdbewoonster geen persoonlijke spullen van appellant kon tonen. De stelling van appellant dat hij post op het adres ontving, was niet onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en de herziening van studiefinanciering wegens niet-wonen op het BRP-adres wordt bevestigd.