Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1743

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2016
Publicatiedatum
12 mei 2016
Zaaknummer
15-2714 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres

Appellant was vanaf 1 mei 2012 ingeschreven op een adres in de basisregistratie personen (BRP) en ontving studiefinanciering als uitwonende student. De minister voerde een onderzoek uit waarbij controleurs een huisbezoek brachten aan het BRP-adres. Uit het rapport bleek dat appellant nauwelijks persoonlijke bezittingen op het adres had, zoals beperkte kleding en geen beddengoed op het bed. De hoofdbewoonster verklaarde dat appellant zijn persoonlijke spullen elders had.

Op basis hiervan herzag de minister de studiefinanciering en kwalificeerde appellant als thuiswonend, met terugvordering van €3.882,78. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd dat hij op het BRP-adres woonde.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het rapport onvolledig was en dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf op het adres had. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten had aangevoerd en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat de controleurs voldoende onderzoek hadden gedaan en dat de hoofdbewoonster geen persoonlijke spullen van appellant kon tonen. De stelling van appellant dat hij post op het adres ontving, was niet onderbouwd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en de herziening van studiefinanciering wegens niet-wonen op het BRP-adres wordt bevestigd.

Uitspraak

15/2714 WSF
Datum uitspraak: 11 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 april 2015, 14/5271 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.1.
Appellant staat vanaf 1 mei 2012 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba), nu basisregistratie personen (brp), onder het adres Scheldestraat 20-3 te [woonplaats].
1.1.2.
De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 16 mei 2012 aan appellant met ingang van 1 juli 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Bij besluit van 20 oktober 2012 is deze toekenning voor het jaar 2013 voortgezet. Bij besluit van 10 december 2013 is deze toekenning voor het jaar 2014 voortgezet.
1.2.1.
Op 17 februari 2014 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant op dat moment in de brp was ingeschreven om te controleren of hij op dat adres woonde. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoonster opgenomen. Van het onderzoek is op 17 februari 2014 een rapport opgemaakt. Bij dat rapport is de verklaring van de hoofdbewoonster gevoegd.
1.2.2.
In het rapport is – onder meer – vermeld dat in de kamer die de hoofdbewoonster als kamer van appellant heeft laten zien een bureau met een laptop, een bed met een matras zonder enig beddengoed, een kledingkast en twee boekenkasten stonden. Toen de hoofdbewoonster gevraagd werd kleding van appellant te tonen, opende zij de kledingkast en wees zij op ongeveer tien stuks hangende herenkleding. Verder lag of hing er geen herenkleding in de kast. Er lagen geen sokken en geen ondergoed. Volgens de hoofdbewoonster had appellant zijn sokken en ondergoed meegenomen. Op het verzoek studiespullen van appellant te tonen, wees de hoofdbewoonster op een lege ordner in één van de boekenkasten. Volgens de hoofdbewoonster had appellant de inhoud van de ordner meegenomen, evenals al zijn andere studiespullen. De studieboeken en studiematerialen die op dat moment in de kamer lagen, waren volgens de hoofdbewoonster van haar zelf. Op de vraag waar het beddengoed was, wees de hoofdbewoonster op een dekbed dat in een dichtgeritste tas bovenop één van de kasten lag. Volgens de hoofdbewoonster lag er geen beddengoed op het bed, omdat zij het bed zojuist had verschoond. Ten slotte heeft de hoofdbewoonster op het verzoek toiletartikelen van appellant te tonen, de controleurs meegenomen naar de badkamer. Daar heeft zij gewezen op een tandenborstel, een fles douchegel en enkele wegwerpscheermesjes die van appellant zouden zijn. Voorts heeft de hoofdbewoonster verklaard dat zij niets kon laten zien dat aantoonbaar van appellant is.
1.3.
De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het onder 1.2.2 weergegeven rapport bij besluit van 14 maart 2014 de vanaf 1 juli 2012 aan appellant toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellant vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellant over de periode van juli 2012 tot en met februari 2014 te veel betaalde bedrag van € 3.882,78 is daarbij van hem teruggevorderd.
1.4.
De minister heeft het tegen het besluit van 14 maart 2014 gemaakte bezwaar bij besluit van 31 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister, gelet op de bevindingen van de controleurs tijdens het huisbezoek, zoals die zijn vermeld in het rapport van 17 februari 2014, terecht heeft geconcludeerd dat appellant ten tijde van die controle niet woonde op zijn brp-adres. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat er, afgezien van tien stuks herenkleding en een lege ordner, geen persoonlijke spullen van appellant zijn aangetroffen. Daarnaast waren er enkel spullen van de hoofdbewoonster in de kamer aanwezig. Voorts was het bed niet opgemaakt en bevond het dekbed zich in een dichtgeritste tas bovenop een kast. Volgens de rechtbank is er geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank volstrekt onvoldoende bewijs naar voren gebracht om aan te kunnen nemen dat hij in (een deel van) de periode van juli 2012 tot en met februari 2014 wel op zijn brp-adres woonde.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het rapport van 17 februari 2014 een onvoldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van de minister dat hij vanaf 1 juli 2012 niet zou wonen op zijn brp-adres. De hoofdbewoonster heeft verklaard dat appellant daar zijn hoofdverblijf had, in die woning een eigen kamer had en zijn persoonlijke bezittingen daar lagen. Het rapport is onjuist en onvolledig. De controleurs hebben slechts kort in de kamer gekeken. Appellants kleren en andere spullen, waaronder zijn toiletspullen, administratie en post, waren gewoon in de woning aanwezig. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de minister onder toepassing van de hardheidsclausule af had moeten zien van de herziening van de aan hem toegekende studiefinanciering.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, vormt een herhaling van wat hij in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet aangevoerd.
4.2.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en op hoofdlijnen de daartoe gegeven overwegingen.
4.3.
Hieraan wordt toegevoegd dat de controleurs blijkens het rapport van 17 februari 2014 de hoofdbewoonster hebben verzocht de spullen van appellant te tonen. De hoofdbewoonster heeft toen verklaard dat zij de controleurs geen spullen kon laten zien die aantoonbaar van appellant zijn. Indien de door appellant genoemde spullen, zoals zijn administratie en post, destijds wel in de kamer en/of woning zouden hebben gelegen, had het op de weg van de hoofdbewoonster gelegen deze aan de controleurs te tonen. Voorts heeft appellant zijn stelling dat hij vanaf 1 mei 2012 altijd zijn post op zijn brp-adres heeft ontvangen, niet onderbouwd met poststukken die geadresseerd zijn aan zijn brp-adres.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2016.
(getekend) J. Brand
(getekend) J.W.L. van der Loo

AP