ECLI:NL:CRVB:2016:1710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering na eerstejaarsbeoordeling
Appellant was werkzaam als medewerker bar en keuken en meldde zich op 12 november 2013 ziek vanwege rugklachten. Na beëindiging van zijn dienstverband ontving hij Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde op 23 oktober 2014 vast dat appellant vanaf 12 december 2014 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen. De rechtbank vond het medisch onderzoek zorgvuldig en achtte de beperkingen passend bij nek- en rugklachten.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, stellende dat het UWV onvoldoende rekening hield met medische informatie van neuroloog Jadoul die lumbo-ischialgie constateerde. De Raad oordeelde dat het UWV en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie juist en voldoende gemotiveerd hadden beoordeeld. De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van het UWV te wijzigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De Ziektewet-uitkering werd terecht beëindigd op grond van de vastgestelde verdiencapaciteit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de Ziektewet-uitkering van appellant heeft beëindigd.