Appellant heeft een AOW-pensioen aangevraagd en stelde dat hem een pensioen van 8% toekomt vanwege een langer arbeidsverleden in Nederland. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem aanvankelijk geen pensioen toe, maar na bezwaar een pensioen van 2% met 8% toeslag, later verhoogd naar 4% met 10% toeslag op basis van navraag bij het pensioenfonds.
Appellant overlegde diverse documenten ter onderbouwing van zijn stelling dat hij langer in Nederland heeft gewerkt, maar deze waren onvoldoende concreet of dateringen ontbraken, waardoor de Raad het standpunt van de Svb volgde dat hij slechts één jaar en negen maanden pensioenopbouw had.
Het verzoek om schadevergoeding wegens tolk- en reiskosten werd afgewezen omdat appellant geen bewijsstukken van deze kosten heeft overgelegd. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit van 23 april 2014 gegrond, maar het beroep tegen het latere besluit van 6 november 2014 ongegrond.
De Svb werd verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door M.M. van der Kade op 4 mei 2016.