ECLI:NL:CRVB:2016:1681
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als verzorgende C en meldde zich in januari 2010 ziek wegens psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit van januari 2013 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en beroep. Later werd ook vastgesteld dat appellante per juli 2014 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij geschikt was voor ten minste één van de geselecteerde functies.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen onderschat waren, onderbouwd met medische rapporten van reguliere en alternatieve artsen. Zij stelde dat zij 100% arbeidsongeschikt was en recht had op een WIA-uitkering. Het UWV handhaafde haar standpunt en verwees naar uitgebreide medische rapporten.
De Raad oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat alle geobjectiveerde klachten waren meegewogen. De bestreden besluiten rusten op een juiste medische grondslag. Appellante werd geacht geschikt te zijn voor de geselecteerde functies en minder dan 35% arbeidsongeschikt. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.