ECLI:NL:CRVB:2016:1670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand onterecht wegens ontbreken hennep-gerelateerde werkzaamheden
Appellante ontving sinds 1999 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 25 april 2014 werd zij samen met anderen aangehouden in een loods te Breda waar hennep werd geknipt. Naar aanleiding hiervan trok de gemeente Breda haar bijstand over april 2014 in en vorderde de kosten terug, stellende dat appellante betrokken was bij hennep-gerelateerde werkzaamheden en inkomsten had verzwegen.
Appellante stelde dat zij niet betrokken was bij de hennepknipperij, maar aanwezig was voor schoonmaakwerkzaamheden en het kopen van waspoeder. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het enkele feit van aanwezigheid in de loods onvoldoende is om te concluderen dat appellante hennep-gerelateerde werkzaamheden verrichtte. Zij bevond zich buiten de afgesloten ruimte waar de hennep werd geknipt en er waren geen aanwijzingen dat zij betrokken was. De Raad stelde dat de gemeente onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en het besluit van 8 augustus 2014, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de gemeente in de proceskosten van appellante. Tevens werd het griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd.