ECLI:NL:CRVB:2016:1634
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant was vrachtwagenchauffeur en meldde zich op 1 juli 2013 ziek met hoge bloeddruk, rug- en hartklachten. Zijn dienstverband eindigde op 9 juli 2013, waarna het UWV hem aanvankelijk ziekengeld toekende. Na een verzekeringsartsbeoordeling op 8 oktober 2013 oordeelde het UWV dat appellant per 11 oktober 2013 geschikt was voor zijn eigen arbeid en stopte het ziekengeld. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Limburg bevestigde dit oordeel en vond het medisch onderzoek zorgvuldig, waarbij ook de noodzaak van aanvullende cardiologische informatie werd gemotiveerd afgewezen. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte zijn reactie op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts niet had betrokken en dat nader cardiologisch onderzoek noodzakelijk was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig en volledig medisch onderzoek had verricht, inclusief lichamelijk onderzoek en dossieronderzoek door verzekeringsartsen. Het ontbreken van cardiologisch onderzoek werd gemotiveerd doordat appellant niet onder cardiologische behandeling stond ten tijde van belang en het latere onderzoek niet relevant was. Appellant overlegde geen aanvullende medische informatie ter onderbouwing.
Daarom was er geen reden om het oordeel van het UWV over de geschiktheid voor eigen arbeid per 11 oktober 2013 aan te tasten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant per 11 oktober 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld.