ECLI:NL:CRVB:2016:1633
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid eigen werk
Appellante was werkzaam als magazijnmedewerker en meldde zich ziek met psychische klachten nadat haar arbeidscontract niet werd verlengd. Het UWV stelde op 16 september 2013 vast dat zij geen recht meer had op ziekengeld, omdat een verzekeringsarts haar geschikt achtte voor haar eigen werk. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen sprake was van ernstige psychische stoornissen die haar werk onmogelijk maakten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door concentratiestoornissen haar werk niet kon verrichten en dat de werkzaamheden complexer waren dan door het UWV beoordeeld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep een herhaling was van eerdere gronden en dat geen nieuwe medische stukken waren overgelegd ter ondersteuning van de psychische klachten.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts voldoende had gemotiveerd waarom appellante geschikt was voor haar werk. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld per 11 september 2013.