ECLI:NL:CRVB:2016:1462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand met terugwerkende kracht zonder bijzondere omstandigheden
Appellante diende op 31 mei 2012 een aanvraag in voor bijzondere bijstand als aanvulling op haar Ziektewetuitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam keerde de aanvraag aanvankelijk terug omdat niet duidelijk was waarvoor de bijstand werd aangevraagd en omdat aanvulling op de Ziektewetuitkering niet via bijzondere bijstand kan worden aangevraagd.
Na een uitspraak van de rechtbank werd alsnog bijstand toegekend vanaf 30 mei 2012, de dag waarop appellante zich meldde voor de aanvraag. Appellante stelde dat zij recht had op bijstand vanaf een eerdere datum, onder meer omdat zij zich op 7 oktober 2011 bij het UWV Werkbedrijf had gemeld.
De Raad oordeelde dat het contact op 7 oktober 2011 niet aannemelijk maakte dat er een aanvraag om bijstand was gedaan. Ook het verzoek van 18 januari 2012 leidde niet tot een daadwerkelijke aanvraag omdat appellante niet op een intake-afspraak verscheen. Verder was een verzoek in een bezwaarschrift geen aanvraag. Er waren geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigden dat bijstand met terugwerkende kracht werd toegekend.
Het hoger beroep werd daarom afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de bijstand wordt toegekend vanaf 30 mei 2012 zonder terugwerkende kracht.