ECLI:NL:CRVB:2016:146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- G. van Zeben-de Vries
- P. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving vanaf 6 maart 2007 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in januari 2012, stelde het UWV de uitkering bij besluit van 4 november 2013 vast op een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat zijn beperkingen groter zijn dan vastgesteld en dat de medische beoordeling onjuist is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, onder meer omdat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en appellant zijn claim van een depressie niet met objectieve medische gegevens had onderbouwd. Ook werden zijn klachten zoals slaapstoornissen en sociale angsten onvoldoende geacht om een hogere mate van arbeidsongeschiktheid te rechtvaardigen. De rechtbank vond dat de vastgestelde urenbeperking en de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onderliggende overwegingen. Er zijn geen nieuwe medische gegevens die aanleiding geven tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering bevestigd.