ECLI:NL:CRVB:2016:1450
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wuv wegens ontbreken vervolging en medische relatie
Appellant, geboren in 1934 in Nederlands-Indië, verzocht in april 2013 om aanspraken op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Zijn aanvraag werd afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat hij vervolging had ondergaan en omdat hij geen ziekten of gebreken had die redelijkerwijs verband hielden met het omkomen van zijn vader.
Appellant stelde in beroep dat hij kort gevangen had gezeten in een militair kampement en ondergedoken was geweest om vervolging te ontkomen. Tevens werd een medisch advies overgelegd waarin werd gesteld dat hij leed aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) die verband hield met het overlijden van zijn vader.
De Raad oordeelde dat niet aannemelijk was dat appellant vervolging in de zin van de Wuv had ondergaan. Er was geen bewijs van verblijf in een interneringskamp of onderduik. De medische adviezen van onafhankelijke geneeskundig adviseurs, gebaseerd op psychiatrisch onderzoek, concludeerden dat appellant geen psychiatrische stoornis had. Het medisch advies dat PTSS stelde, was gebaseerd op ongedocumenteerde gesprekken en werd niet als voldoende betrouwbaar geacht.
Gelet op het voorgaande werd het beroep ongegrond verklaard en bleef het bestreden besluit in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de Wuv-aanvraag blijft in stand.