ECLI:NL:CRVB:2016:1376

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2016
Publicatiedatum
18 april 2016
Zaaknummer
15/4363 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Regeling vaststelling LFNPArt. 5 Regeling vaststelling LFNP
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van toekenning en overgang naar LFNP-functie ondanks bezwaar appellant

Appellant, werkzaam bij de politie, maakte bezwaar tegen de toekenning en overgang naar de LFNP-functie [functie A] in schaal 10, terwijl hij aanspraak maakte op een hogere schaal 12 functie. De korpschef had de uitgangspositie van appellant eerder vastgesteld op schaal 11 en besloot tot toekenning van de LFNP-functie in schaal 10. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de transponeringstabel (TPT), hoewel geen algemeen verbindend voorschrift, een zwaarwegende betekenis heeft en dat de korpschef mag uitgaan van de uitkomst van het matchingsproces zoals vastgelegd in de TPT. Appellant moest aannemelijk maken dat de matching niet conform de Regeling en TPT was geschied of dat het resultaat onhoudbaar was, wat niet lukte.

De Raad stelde vast dat het matchingsproces in samenspraak met het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP) tot stand is gekomen en dat het criterium voor de functietoekenning, hoewel anders geformuleerd dan in oude functiebeschrijvingen, niet ondeugdelijk is. De motivering van de werkgroep matching was inzichtelijk en voldoende onderbouwd. Appellant kon niet aantonen dat zijn functie inhoudelijk overeenkwam met de hogere schaal 12 functie.

Daarmee faalde het hoger beroep en werd de uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van de LFNP-functie schaal 10 wordt bevestigd.

Uitspraak

15/4363 AW
Datum uitspraak: 14 april 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 mei 2015, 14/2559 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft geen verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Voor een uiteenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP alsmede een weergave van de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.
1.2.
Appellant was werkzaam op de afdeling Gezamenlijke Recherche in de voormalige politieregio Brabant-Zuid-Oost, thans regionale eenheid Oost-Brabant. Bij besluit van
11 november 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellant voor zijn toekomstige LFNP-functie bepaald op Tactisch Leidinggevende B GR (schaal 11). Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie [functie A] in het vakgebied [vakgebied] , met bijbehorende schaal 10. Bij besluit van 28 juli 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad komt naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.
3.1.
Zoals de Raad in de onder 1.1 aangehaalde uitspraken van 1 juni 2015 tot uitdrukking heeft gebracht, kan de transponeringstabel (TPT), opgenomen in de bijlage bij de Regeling overgang naar een LFNP-functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling), anders dan de korpschef tot uitgangspunt heeft genomen, niet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Dit neemt echter niet weg dat aan deze tabel, mede op grond van de waarborgen waarmee de totstandkoming ervan is omgeven, een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht. De korpschef mag dan ook bij het nemen van besluiten over de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie ervan uitgaan dat de toepassing van de voor het matchingsproces geldende regels tot de in de tabel vermelde uitkomst leidt. De korpschef mag in beginsel volstaan met een verwijzing naar de TPT. Beoordeeld moet worden of het bestreden besluit anderszins een onvoldoende motivering bevat. Daarbij wordt opgemerkt dat, zoals eveneens in de hiervoor genoemde uitspraken van 1 juni 2015 tot uitdrukking is gebracht, het aan appellant is om aannemelijk te maken dat de matching in zijn geval niet conform de Regeling en de TPT is geschied, dan wel dat het resultaat van de matching onhoudbaar is te achten.
3.2.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de matching in strijd is met de Regeling en dat het resultaat van de matching voor de groep leidinggevende zoals appellant wegens strijd met de zorgvuldigheid onhoudbaar is te achten. Appellant heeft daarbij aangevoerd dat de matchingsregels ondeugdelijk zijn, omdat het criterium dat bepalend is voor het onderscheid tussen [functie A] (schaal 10) of [functie B] (schaal 12) ondeugdelijk is. Gedoeld wordt op het criterium ‘gewerkt hebben met niet-eerder verkende problematiek’. Dit betoog slaagt niet.
3.3.
Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat het gehele proces van matching in samenspraak met, en onder (eind)verantwoordelijkheid van, het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP) heeft plaatsgevonden en de neerslag vormt van binnen het GOP gevoerd overleg. Inherent aan zodanig overleg is dat over en weer sprake is van geven en nemen. De uitkomst van zo’n onderhandelingsproces kan dan ook niet met vrucht worden bestreden door enkel te wijzen op de voor de werknemer nadelige gevolgen ervan en de voordelen buiten beschouwing te laten (vergelijk de onder 1.1 genoemde uitspraken van
1 juni 2015). Daarbij komt dat in het matchingsproces expliciet rekening is gehouden met en aandacht besteed aan de situatie van leidinggevenden met een korpsfunctie in schaal 11, zoals appellant. Dit blijkt uit de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 (Handleiding) (deel III, hoofdstuk B, pagina’s 9 en 22 e.v.). Er is geen grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van het gebruik van een ondeugdelijk (onderscheidend) criterium, vanwege het gebruik van andere bewoordingen en begrippen dan die in de oude korpsfunctiebeschrijvingen voorkwamen. Uit de Handleiding blijkt dat het voor de werkgroep matching wel degelijk mogelijk was een vergelijking te maken tussen de oude korpsfunctiebeschrijvingen en de nieuwe LFNP-functies, alhoewel soms sprake was van moeilijke keuzes. Zoals de Raad in de eerder genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft overwogen, is het uitgangspunt bij de matching de formele functiebeschrijving geweest, zo ook in het geval van appellant. De inhoud van zijn korpsfunctiebeschrijving is dan ook bepalend geweest voor de indeling in domein, vakgebied en functie. Dit is conform het bepaalde in artikel 3 van Pro de Regeling in verbinding met artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling.
3.4.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraken van 28 januari 2016 (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:346) heeft de werkgroep matching in de Handleiding (p. 26-30) voorts uitdrukkelijk en inzichtelijk gemotiveerd waarom de korpsfuncties van leidinggevenden in schaal 11, zoals die van appellant, zijn gematcht met de naast gelegen lagere LFNP-functie [functie A] (schaal 10) en niet met [functie B] (schaal 12), zoals appellant ambieert. De werkgroep matching heeft, gelet op de onderscheidende kenmerken van beide LFNP-functies, onvoldoende objectieve aanknopingspunten gevonden om de korpsfunctiebeschrijvingen van leidinggevenden in schaal 11 te matchen met de LFNP-functie [functie B] en heeft matching met LFNP-functie [functie A] aangewezen geacht. De Raad heeft de gegeven motivering inzichtelijk geacht en ook overigens geen aanleiding gezien het resultaat van de matching onhoudbaar te achten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit appellants korpsfunctiebeschrijving blijkt niet dat in zijn functie sprake was van niet eerder verkende problematiek, nieuwe benaderwijzen en/of werkzaamheden waarin specialisten de aanpak van deze problematiek structureel middels directe inzet en inbreng ondersteunen. Evenmin blijkt dat appellant (structureel) tot taak had [vakgebied] te geven aan equivalenten van de LFNP-functies Operationeel Specialist en Bedrijfsvoeringspecialist, waarvan een hoogwaardige bijdrage wordt verwacht. Hiermee wordt bedoeld Operationeel Specialisten en Bedrijfsvoeringspecialisten van niveau D en hoger. De stelling van appellant dat zijn oude functiebeschrijving het meest vergelijkbaar is met de functie van [functie B] slaagt dan ook niet.
3.5.
Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) P.W.J. Hospel

HD