ECLI:NL:CRVB:2016:1374

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2016
Publicatiedatum
15 april 2016
Zaaknummer
16-1152 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegemoetkoming arbeidsongeschikten

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel die het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaarde. Het ging om een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van € 211,- netto, waarvan verzoeker vond dat deze te laag was vastgesteld, mede vanwege zijn problematische financiële situatie.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep overwoog dat de hoogte van de tegemoetkoming een taak is van de rijksoverheid en voor iedere rechthebbende gelijk is, ongeacht de hoogte van de WAO-uitkering. Het UWV kan hierin geen wijzigingen aanbrengen.

Omdat de gronden van verzoeker een herhaling waren van eerdere bezwaren die reeds gemotiveerd door de rechtbank waren afgewezen, werd het hoger beroep verworpen. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat geen spoedeisend belang bestond.

De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 14 april 2016 door voorzieningenrechter M.C. Bruning. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

Datum uitspraak: 14 april 2016
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 februari 2016, 15/2328 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb van
10 februari 2016.
Partijen:
[Vezoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft nadere stukken ingebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016. Verzoeker is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 14 oktober 2015 (bestreden besluit) is ongegrond verklaard het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 17 september 2015, waarbij het Uwv aan appellant € 211,- netto aan tegemoetkoming arbeidsongeschikten heeft betaald.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten een taak van de rijksoverheid is en dat die tegemoetkoming voor iedere rechthebbende gelijk is. Voor het jaar 2015 is het bedrag vastgesteld op € 211,- netto. De hoogte van deze tegemoetkoming wordt niet bepaald door de hoogte van de WAO-uitkering en het Uwv kan in de hoogte van dit bedrag ook geen wijzigingen aanbrengen.
3.1.
In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft daartoe – kort weergegeven en voor zover dit ziet op het bestreden besluit – aangevoerd dat de tegemoetkoming arbeidsongeschikten te laag is vastgesteld omdat, zoals de voorzieningenrechter begrijpt, deze verstrekt dient te worden naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100. Appellant bevindt zich in een dusdanige problematische financiële situatie, dat de tegemoetkoming te laag is om uit deze problemen te geraken. Verzoeker heeft verzocht om het hoger beroep gelijktijdig af te doen met het verzoek om een voorlopige voorziening.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af te wijzen.
4. De voorzieningenrechter komt tot het volgende oordeel.
4.1.
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en ook overigens, gelet op de door partijen gegeven toestemming als bedoeld artikel 8:86, tweede lid, van de Awb, geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
4.4.
De in hoger beroep door appellant aangevoerde gronden zijn een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.
4.5.
Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2016.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) G.J. van Gendt

MO