ECLI:NL:CRVB:2016:1327
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet voltooide wachttijd na Ziektewet-beëindiging
Appellante was werkzaam als administratief medewerkster toen zij zich ziek meldde met gynaecologische klachten. Na medisch onderzoek door het UWV werd zij hersteld verklaard en werd haar Ziektewet-uitkering beëindigd. Het UWV weigerde vervolgens een WIA-uitkering omdat de wachttijd van 104 weken niet was vervuld.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV-onderzoek onzorgvuldig was en dat zij meer beperkingen had dan vastgesteld, en dat zij de wachttijd wel had vervuld. Zij overlegde medische rapporten ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische rapporten van appellante geen aanleiding gaven het standpunt van het UWV te wijzigen. De Raad volgde de verzekeringsarts bezwaar en beroep die concludeerde dat appellante per 21 oktober 2013 geschikt was voor haar werk en dat de wachttijd niet was vervuld.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens het niet vervullen van de wachttijd en beëindigt de Ziektewet-uitkering.