Uitspraak
23 februari 2015, 14/2704 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland over de terugvordering van bijstandskosten. Het college van burgemeester en wethouders van Almere had bij afzonderlijke besluiten een bedrag van €9.172,54 teruggevorderd van B en appellant wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding. Na bezwaar werd de terugvordering van appellant beperkt tot de periode van 1 augustus 2012 tot en met 16 december 2012 tot een bedrag van €4.945,65.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet wist van de bijstand van B en dat de terugvordering onrechtvaardig was. De Raad oordeelde dat het bestaan van schuld of opzet niet vereist is voor terugvordering volgens artikel 59, tweede lid, van de WWB en dat de gezamenlijke huishouding objectief moet worden vastgesteld.
De Raad stelde vast dat appellant en B een gezamenlijke huishouding voerden, ongeacht de motieven of omstandigheden, en dat B haar inlichtingenverplichting had geschonden. De terugvordering van bijstandskosten over de relevante periode was daarom terecht en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstandskosten van appellant wordt bevestigd.