ECLI:NL:CRVB:2016:1288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beslagvrije voet bij uitbetaling WAO-uitkering ondanks beslag door belastingdienst
Appellant had een openstaande schuld bij de belastingdienst, waarop beslag werd gelegd op zijn WAO-uitkering. Het UWV paste de uitbetaling aan door het bedrag van de beslagvrije voet van € 854,- per maand aan appellant uit te betalen en de rest aan de belastingdienst over te maken.
Appellant maakte bezwaar tegen deze betalingsbeslissing, stellende dat het UWV onterecht handelde en dat het beslag onrechtmatig was, mede omdat hij door het beslag zijn huur niet kon betalen en dreigde zijn woning te verliezen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV binnen het kader van het beslag was gebleven.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het UWV niet bevoegd is de geldigheid van het beslag te beoordelen; deze beoordeling is voorbehouden aan de burgerlijke rechter. De Raad oordeelde dat het UWV terecht is uitgegaan van de door de belastingdienst vastgestelde beslagvrije voet en dat er geen aanwijzingen zijn dat het UWV buiten het beslagkader is getreden.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om de uitkering te verlagen tot de beslagvrije voet wordt bevestigd.