ECLI:NL:CRVB:2016:1276

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 maart 2016
Publicatiedatum
8 april 2016
Zaaknummer
13/2014 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:113 AwbWet studiefinanciering 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit studiefinanciering wegens onduidelijke bekendmaking en nieuwe beslissing op bezwaar

Appellant had studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000, maar raakte in 2010 en 2011 een schuld kwijt door onterechte betalingen en een onterecht geactiveerd studentenreisproduct. De minister stelde appellant hiervan op de hoogte met besluiten van februari 2011. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding bij besluit van 1 augustus 2011.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de besluiten op juiste wijze bekend waren gemaakt via 'Mijn DUO' en e-mail. In hoger beroep stelde appellant zich gemotiveerd op tegen deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het bewijs van plaatsing van het besluit op 'Mijn DUO' niet meer voorhanden is, waardoor de datum van bekendmaking niet meer precies kan worden vastgesteld. Daarom werd het standpunt dat het bezwaar niet-ontvankelijk was, losgelaten en werd een inhoudelijke beslissing noodzakelijk geacht.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 1 augustus 2011. De minister werd opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Tevens werd bepaald dat tegen deze nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld. Over de proceskosten werd overeenstemming bereikt en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de kosten en het griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van 1 augustus 2011 wordt vernietigd en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar nemen.

Uitspraak

13/2014 WSF
Datum uitspraak: 23 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
28 februari 2013, 11/1175 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft in het verleden studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Op verschillende momenten in 2010 en 2011 is daarbij een schuld voor appellant ontstaan als gevolg van onterechte betalingen en een onterecht geactiveerd studentenreisproduct op een OV-chipkaart, omdat de minister uit een controle is gebleken dat appellant enige tijd niet ingeschreven is geweest bij een onderwijsinstelling. De minister heeft appellant hiervan op de hoogte gesteld bij besluiten van 12 en 26 februari 2011.
1.2.
De minister heeft het door appellant tegen deze twee besluiten gemaakte bezwaar bij besluit van 1 augustus 2011 (bestreden besluit) wegens termijnoverschrijding
niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is mede overwogen dat de besluiten aan appellant op de juiste wijze bekend zijn gemaakt door plaatsing op ‘Mijn DUO’ en door verzending van e-mails aan appellant, waarvan kan worden aangenomen dat deze appellant hebben bereikt.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De minister heeft hangende het hoger beroep, bij brief van 19 november 2013, aangegeven, en ter zitting toegelicht, dat het bewijs van de plaatsing van het door appellant in bezwaar aangevochten besluit op ‘Mijn DUO’, niet (meer) voorhanden is, zodat de datum van bekendmaking van dat besluit niet (meer) precies kan worden vastgesteld. Daarom wordt niet langer het standpunt gehandhaafd dat dat bezwaar niet-ontvankelijk is en zal een inhoudelijke beslissing worden genomen. De Raad acht het standpunt van de minister juist. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het besluit van 1 augustus 2011, dat door de rechtbank ten onrechte in stand is gelaten, moet worden vernietigd.
4.2.
Gelet op wat is overwogen in 4.1 zal de minister een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant moeten nemen. De Raad ziet in het verloop van de procedure tot nu toe en de uitgebreide inhoudelijke correspondentie tussen partijen, aanleiding met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat tegen de nieuwe beslissing op het bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij de Raad.
5. Over de vergoeding van de door appellant gemaakte kosten hebben partijen reeds overeenstemming bereikt. De Raad ziet geen aanleiding van het door partijen berekende bedrag af te wijken, zodat het bedrag van de proceskostenveroordeling daarop zal worden vastgesteld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 augustus 2011;
  • draagt de minister op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen;
  • bepaalt dat beroep tegen de nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
  • veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.235,-;
  • bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 159,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016.
(getekend) J. Brand
(getekend) C.M.A.V. van Kleef

AP