ECLI:NL:CRVB:2016:1242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als medewerkster toerisme, meldde zich in 2008 ziek met psychische klachten. Het UWV stelde in 2010 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Na een toename van haar klachten in 2011 diende zij opnieuw een aanvraag in, waarop het UWV in 2013 wederom vaststelde dat haar arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond op basis van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het hoger beroep een herhaling was van eerdere gronden en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
De verzekeringsarts had appellante tijdens een hoorzitting gezien, dossieronderzoek gedaan en informatie van huisarts en psychiater betrokken. De arts concludeerde dat de toename van beperkingen pas vanaf november 2012 vast te stellen was, en dat per 12 april 2011 de beperkingen onvoldoende waren voor een WIA-uitkering.
Er waren geen medische gegevens die het standpunt van de verzekeringsarts konden weerleggen. Ook de geschiktheid van de functies waarop de arbeidsongeschiktheidspercentage was gebaseerd, werd niet betwist. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.