ECLI:NL:CRVB:2016:1027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep en proceskostenvergoeding in sociale zekerheidszaak
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV. Het UWV heeft vervolgens op 7 oktober 2015 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij het geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant. Naar aanleiding hiervan heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenvergoeding.
De Centrale Raad van Beroep heeft met toestemming van partijen het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. Op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht is het bestuursorgaan, hier het UWV, veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in beroep en hoger beroep.
De proceskosten zijn begroot op €992 in beroep en €496 in hoger beroep, tezamen €1.488. De vergoeding van het betaalde griffierecht is niet door de Raad toegewezen, maar appellant kan dit rechtstreeks bij het UWV claimen. De uitspraak is gedaan door M. Greebe, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, op 23 maart 2016.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €1.488 aan proceskosten aan appellant na intrekking van het hoger beroep.