ECLI:NL:CRVB:2015:856
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende inlichtingen
Verzoeker diende op 6 juni 2014 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college wees de aanvraag op 14 juli 2014 af wegens onvoldoende verstrekte inlichtingen om het recht op bijstand vast te stellen. Verzoeker maakte bezwaar, maar dit werd op 3 december 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees ook het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed. Hoewel verzoeker voorschotten ontving op 27 januari en 23 februari 2015, stelde hij dat een spoedeisend belang bestond om schulden te kunnen betalen indien bijstand met terugwerkende kracht zou worden toegekend.
De voorzieningenrechter benadrukte dat het verzoek om voorlopige voorziening niet bedoeld is om de behandeling van de hoofdzaak te versnellen. De omstandigheden van verzoeker, waaronder het ontvangen van voorschotten en het feit dat hij bij zijn moeder woont die voor eten zorgt, tonen geen acute spoedeisendheid. Ook de schuldenlast werd niet als bedreigend aangemerkt. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.