ECLI:NL:CRVB:2015:831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- E.C.R. Schut
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens hoofdverblijf buiten uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en gaf als woonadres het uitkeringsadres op. Na een melding dat zij was bevallen en bezig was met een verhuizing, stelde de gemeente een onderzoek in. Dit leidde tot het besluit de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen, omdat appellante feitelijk niet op het uitkeringsadres verbleef maar bij de vader van haar kinderen in een andere gemeente.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij pas later bij de vader verbleef en dat zij onterecht meer geld moest terugbetalen dan ontvangen. De Raad oordeelde dat het college terecht uit ondubbelzinnige verklaringen en onderzoeksbevindingen had geconcludeerd dat appellante vanaf augustus 2011 niet op het uitkeringsadres verbleef.
De Raad bevestigde dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden en dat het college daarom bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen, inclusief loonbelasting en premies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verblijf buiten het uitkeringsadres.