ECLI:NL:CRVB:2015:768
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid bevestigd in hoger beroep
Appellant was sinds november 2010 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na onderzoek door een verzekeringsarts van het UWV in juli 2012 werd geconcludeerd dat appellant per 3 augustus 2012 in staat was zijn arbeid te verrichten, waarna het UWV de uitkering beëindigde. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen, waaronder PTSS en schouderklachten, onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen aannemelijk hadden gemaakt dat appellant geschikt was voor zijn functie als algemeen productiemedewerker. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat en overlegde aanvullende medische gegevens.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de verzekeringsartsen zowel psychische als fysieke klachten hadden betrokken bij hun beoordeling en dat de aanvullende medische informatie geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. De uitkering is daarom terecht beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant geschikt is voor zijn maatgevende arbeid.