Uitspraak
27 juni 2013, 13/315 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Centrale Raad van Beroep.
Appellant stelde dat zijn voetklachten door de verzekeringsartsen van het UWV waren onderschat en dat hij vanuit de behandelend sector de leefregel had meegekregen zijn voet niet te belasten. Deze stelling werd echter niet onderbouwd met medische stukken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef de vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De Raad oordeelde dat de beperkingen zoals opgenomen in de FML juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies medisch gezien geschikt zijn, mede omdat de voetbelasting binnen de vastgestelde belastbaarheid blijft. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.