Uitspraak
OVERWEGINGEN
4.6. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor de door haar aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) verschuldigde ouderbijdrage vanwege de uithuisplaatsing van haar twee kinderen. Het college wees de aanvraag af omdat deze kosten volgens artikel 14 van Pro de WWB als alimentatiekosten worden gezien en niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan behoren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij in hoger beroep ging. Appellante voerde aan dat de ouderbijdrage meer omvat dan alleen alimentatie, zoals kosten voor hulpverlening en therapieën, en dat de forfaitaire vaststelling hiervan verschilt van individuele alimentatieverplichtingen.
De Raad oordeelde dat de ouderbijdrage uitsluitend betrekking heeft op kosten van verzorging en verblijf en voortvloeit uit de onderhoudsplicht zoals geregeld in artikel 1:392 BW Pro. Omdat appellante geen kinderbijslag ontvangt en de kinderen niet tot haar gezin worden gerekend volgens de WWB, zijn de kosten als alimentatiekosten te beschouwen. De forfaitaire vaststelling doet hieraan niet af.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor de ouderbijdrage wordt afgewezen omdat deze kosten als alimentatieverplichting worden beschouwd.