ECLI:NL:CRVB:2015:4985
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkeer besluit beëindiging ZW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig assistent makelaar, ontving een Ziektewetuitkering die op 1 december 2008 door het UWV werd beëindigd omdat hij naar oordeel van verzekeringsartsen weer in staat was zijn werk te verrichten. Appellant verzocht in 2012 om terugkeer van dit besluit, onderbouwd met een oud psychiatrisch rapport dat volgens hem een reeds bestaande persoonlijkheidsstoornis aantoonde die niet was meegewogen.
Het UWV weigerde terug te komen op het besluit omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit onjuist maakten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het psychiatrisch rapport niet als nieuw feit kon worden aangemerkt omdat appellant dit al in 2008 kende en het rapport aan de verzekeringsartsen was getoond.
In hoger beroep betoogde appellant dat het rapport destijds niet in de beoordeling was betrokken, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit niet relevant was voor de vraag of het een nieuw feit betrof. Bovendien was het verzoek gedaan nadat de periode voor ziekengeld verstreken was, waardoor aanspraken voor de toekomst niet aan de orde konden komen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De beslissing werd uitgesproken door P.H. Banda op 21 december 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om niet terug te komen op de beëindiging van de ZW-uitkering wordt bevestigd.