Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Bij besluit van 12 oktober 2007 heeft appellant met ingang van 13 december 2007 de
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, geboren in 1986, kreeg in 2004 een Wajong-uitkering toegekend, die in 2007 werd ingetrokken omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Na diverse afgewezen aanvragen, diende betrokkene in 2012 opnieuw een aanvraag in, onderbouwd met medische rapporten. Het UWV (appellant) weigerde terug te komen op de intrekking, stellende dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.
De rechtbank oordeelde dat het UWV ten onrechte de aanvraag niet als melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid had beschouwd en gaf het UWV de gelegenheid dit nader te onderzoeken. Het UWV maakte hier geen gebruik van. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf opdracht tot een nieuw besluit.
In hoger beroep stelt het UWV dat er geen sprake is van een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat betrokkene toegenomen arbeidsongeschikt was. De Centrale Raad oordeelt dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de toegenomen arbeidsongeschiktheid en draagt het UWV op binnen zes weken de gebreken in het besluit te herstellen. De Raad wijst het verzoek van het UWV af en bevestigt de noodzaak van nader onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van betrokkene.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken de gebreken in het besluit te herstellen wegens onvoldoende onderzoek naar toegenomen arbeidsongeschiktheid.