ECLI:NL:CRVB:2015:4931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering studiefinanciering wegens meerinkomen in 2011
Appellante had voor 2011 studiefinanciering ontvangen en kreeg een vordering van €1.271,17 opgelegd wegens meerinkomen dat zij in dat jaar had genoten. Zij maakte bezwaar tegen deze vordering, maar de minister verklaarde het bezwaar ongegrond omdat de vordering volgens de wettelijke regeling was vastgesteld en geen aanleiding bestond voor toepassing van de hardheidsclausule.
De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de vordering terecht was vastgesteld over het gehele kalenderjaar 2011. De rechtbank verwierp ook de stelling dat de wettelijke bepaling ongrondwettig of strijdig met het Europees Verdrag was. De Raad bevestigt deze overwegingen en merkt op dat appellante geen nieuwe gronden in hoger beroep heeft aangevoerd.
De Raad concludeert dat de minister de vordering terecht heeft vastgesteld en dat er geen strijd is met verdragsrecht. Ook ziet de Raad geen reden om de hardheidsclausule toe te passen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de minister wordt niet veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering wegens meerinkomen in 2011 wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.