ECLI:NL:CRVB:2015:4928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante had aanvankelijk recht op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor het recht op uitkering werd beëindigd per 13 april 2014.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat haar gezondheidstoestand slechter was dan door het UWV aangenomen, onder meer door rolstoelafhankelijkheid, psychische klachten en een recente diagnose van ernstige artrose en het hypermobiliteitssyndroom. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat de klachten hoofdzakelijk te wijten waren aan deconditionering en dat de buikoperatie geen extra beperkingen opleverde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een deugdelijk en gemotiveerd medisch oordeel had gegeven en dat de nieuwe medische informatie niet relevant was voor de situatie op de datum in geding. Ook de arbeidsdeskundige had overtuigend aangetoond dat appellante de geselecteerde functies kon verrichten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellante geen recht meer heeft op een WGA-uitkering wordt bevestigd.