ECLI:NL:CRVB:2015:4923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op WIA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin zijn arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 60,13%, wat recht gaf op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd beschouwde.
In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn gehoor-, evenwichts- en psychische klachten en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onjuist was vastgesteld. Tevens voerde hij aan dat de voorgehouden functies niet passend waren vanwege zijn fysieke beperkingen en bracht hij een aanvullend arbeidskundig rapport in.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aangevoerde gronden in hoger beroep niet afwijken van eerdere bezwaren en dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond verklaarde. De medische en arbeidskundige rapporten waren zorgvuldig en overtuigend, waarbij ook de specifieke klachten en beperkingen van appellant voldoende waren meegewogen. Het UWV had terecht een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid tussen 35 en 80%. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd; appellant heeft recht op een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.