ECLI:NL:CRVB:2015:49
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, geboren in 1958, ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) nadat zijn echtgenote in 2002 overleed en hij een minderjarige zoon had. Na het bereiken van de 18-jarige leeftijd van zijn zoon verzocht appellant om voortzetting van de uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheid van meer dan 45%.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde de uitkering per 1 juli 2011 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 mei 2011 en een negatief advies van het UWV. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard door de Svb.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen door chronische pijnklachten onderschat werden en overhandigde een expertise van neuroloog Niewold die een medische urenbeperking bepleitte. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige, neuroloog Van den Doel, die het rapport van 11 mei 2011 bevestigde en geen medische noodzaak zag voor een urenbeperking.
De Raad oordeelde dat het rapport van Van den Doel zorgvuldig en consistent was en dat de inschatting van Niewold, gebaseerd op anamnese en dagverhaal, geen doorslaggevende betekenis had. Ook werd overwogen dat eerdere oordelen van verzekeringsartsen betrekking hadden op een andere datum dan de datum in geding.
De Raad concludeerde dat appellant in staat werd geacht de werkzaamheden te verrichten die passen bij zijn beperkingen en dat het hoger beroep niet slaagde. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.