ECLI:NL:CRVB:2015:4799
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning als oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1942 in Nederlands-Indië, heeft meerdere malen een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De eerste aanvraag in 2001 werd afgewezen omdat onvoldoende was aangetoond dat zij direct betrokken was bij oorlogsgeweld zoals beschreven in de Wubo. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en het beroep werd in 2003 ongegrond verklaard.
In 2005 werd een verzoek tot herziening afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe relevante gegevens. In 2014 diende appellante opnieuw een aanvraag in, die eveneens werd afgewezen omdat zij geen nieuwe feiten of gegevens had aangevoerd die aanleiding gaven tot herziening van het eerdere besluit.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de discretionaire bevoegdheid tot herziening terughoudend moet worden getoetst en dat geen nieuwe feiten zijn aangevoerd die tot een andere beslissing leiden. Hoewel appellante erkend is als oorlogsslachtoffer onder de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR), verschillen de toelatingscriteria van de Wubo, waardoor dit niet tot erkenning onder de Wubo leidt.
De Raad concludeert dat appellante wel angstige en moeilijke omstandigheden heeft ervaren, maar dat dit niet voldoet aan de strikte criteria van de Wubo. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag erkenning als oorlogsslachtoffer wordt bevestigd.